El vino vino, pero el vino no vino vino. El vino vino vinagre.
(De wijn kwam, maar de wijn kwam niet als wijn. De wijn kwam als azijn.)
¿Usted no nada nada? No, no traje traje.
(Je zwemt helemaal niet? Nee, ik heb mijn (zwem)pak niet meegenomen.)
¿Cuánta madera roería un roedor si los roedores royeran madera?
(Hoeveel hout zou een knaagdieren kauwen, als knaagdieren hout zouden kauwen.)
Mi mamá me mima mucho.
(Mijn moeder verwent me veel.)
Pin pon pan para Papin.
(Pin serveert brood voor Papin.)
Door met tongbrekers te oefenen verbeter je je uitspraakvaardigheden en je traint daarnaast ook nog eens je concentratie en geheugen. Succes!